Het verstedelijkt graafschap

Vlaanderen is een land van steden. Brugge was de grootste haven van Noord-Europa waar heel de wereld samen kwam om handel te drijven en telde rond 1300 ongeveer 40.000 inwoners. Gent was na Parijs de grootste stad van Noord-Europa en telde rond de 60.000 inwoners. Ieper, Lille (Rijsel) en Douai (Dowaai) zijn de andere drie grote steden van het graafschap, naast nog vele andere kleinere steden.

Stedelijke nijverheid versus de landbouw

De industrie in de Vlaamse steden werd voornamelijk bedreven in de textielnijverheid. Vlaanderen was het wereldcentrum van de lakennijverheid. Daarnaast werden in de stedelijke werkplaatsen ook veel producten van andere artisanale aard vervaardigd, gaande van alledaagse gebruiksvoorwerpen tot hoogwaardige kunst. Een groot deel van deze productie was bestemd voor de export.

Dit alles zorgde voor een sterke stijging van de welvaart. Dat trekt mensen aan en de vlucht naar de stad was enorm. Naarmate de bevolking in de steden aanzwelde, groeide ook de vraag naar landbouwproducten. Enige technologische vooruitgang was weliswaar aanwezig, maar vooral een beter bedrijfsbeheer leidde al gauw tot hogere landbouwproductie. Door verfijning van de gangbare landbouwtechnieken nam de productiviteit toe en steeg de opbrengst.

Boer beploegt zijn land

Een boer beploegt zijn land

De meeste boeren waren beter gesteld dan in de jaren voordien. Het lijfeigenschap was in bijna gans Vlaanderen verdwenen en de toenemende vraag vanuit de stad zorgde voor een beter inkomen.

De inspanningen van de boeren maakten op hun beurt de groei van de Vlaamse steden mogelijk en je kan hier spreken van een echte wisselwerking. Nochtans was de voedselproductie in Vlaanderen alleen niet genoeg om heel de bevolking te kunnen voeden. Het grootste deel van de noodzakelijke levensmiddelen werd ingevoerd vanuit de buurlanden.

Transport

Naarmate de vooruitgang zich ontwikkelde nam ook de druk op het verkeersnetwerk toe. De oude Romeinse wegen vormden de ruggengraat van het transportsysteem en waren reeds eeuwen lang steeds opnieuw hersteld en heraangelegd. Nieuwe wegen werden ook aangelegd en aan het eind van de 13de eeuw kon Vlaanderen steunen op een relatief dicht wegennet. De Romeinen bouwden wel steviger wegen, maar de middeleeuwse verharde weg was goedkoop en makkelijk te onderhouden. Waterlopen werden steeds vaker overbrugd en in de meeste steden werden in de hoge middeleeuwen talrijke houten en stenen bruggen gebouwd.

De toename van de handel zorgde voor een stijgend aantal wegvoertuigen. Karren en lastwagens werden in de dertiende eeuw verder ontwikkeld. De wagen met twee assen werd een vertrouwd onderdeel van het straatbeeld. Lastwagens werden ook groter en sterker en vervoerden meer vracht. Kleine karren had je ook en die werden vaak door een begeleider getrokken met behulp van een borstharnas. Met paard en wagen kon tot meer dan 35 kilometer per dag afgelegd worden en deze transportvorm was zeer goedkoop. Men kon Brugge verlaten in de vroege ochtend en bij zonsondergang het graafschap verlaten. De grote handelsroutes hadden op regelmatige afstanden herbergen en kleine nederzettingen waar dieren en begeleiders rust, voedsel en onderdak vonden. De grote Vlaamse wegen waren dan ook veilige en betrouwbare transportaders.

einde

Meer info over de ontwikkeling van de Vlaamse steden kan u o.a. terug vinden in :
W. BLOCKMANS, Metropolen aan de Noordzee, Amsterdam, 2010.