Oorlogsvoering en wapens

De jaren rond 1302 waren voor de Vlamingen een harde tijd. Sinds 1297 was er openlijk oorlog met Frankrijk, die in 1300 uitdraaide op een nederlaag en bezetting. Maar vanaf 1302 slaagden de steden er dank zij hun milities in om de Fransen te verslaan. En er waren ook nog gewapende ruzies met buurlanden Henegouwen en Holland. Er heerste dus bijna voortdurend een oorlogstoestand. Dit had zijn gevolgen op de organisatie van de verdediging.

Een Vlaams leger trekt ten strijde

Leger en militie

In geval van oorlog was het de verantwoordelijkheid van de graaf om een leger samen te stellen. Beroepslegers bestonden niet en de graaf moest dus beroep doen op zijn vazallen om een leger te vormen. In 1297 telde het feodale leger van de graaf een duizendtal ridders en ongeveer tweeduizend man voetvolk. Maar zij werden verslagen in de slag van Bulskamp bij Veurne op 20 Augustus 1297. Daarna koos de meerderheid van de Vlaamse ridders de Franse kant. Vanaf 1300, bij de volledige bezetting van Vlaanderen door de Fransen, was er van een feodaal Vlaams leger geen sprake meer, de graaf zat immers gevangen in Frankrijk.

De stedelijke milities daarentegen bleven wel bestaan. Zij konden opgeroepen worden voor dienst in het feodale leger, maar in 1297 had de graaf geen goede verstandhouding met de steden meer. Daarom stuurden zij hem slechts het absolute minimum aan troepen. Bij de bezetting in 1300 werd de getalsterkte van de milities door het nieuwe Franse bestuur beperkt. Maar de meeste poorters en ambachtslieden bezaten een eigen wapenuitrusting, zodat in de praktijk een stad nog steeds het grootste deel van haar weerbare mannen kon oproepen. En dat bleek ook in 1302!

Wapentraining

Het arsenaal van de middeleeuwse strijder was uitgebreid en beperkt tegelijk. De persoonlijke wapens van de strijders waren blanke wapens in de meest diverse vormen. In 1302 waren er nog geen vuurwapens (die verschenen pas zo een 30 jaar later op het toneel). Maar er was wel al artillerie zoals blijden, springalen en katapulten.

Van ridders is geweten dat ze een groot deel van hun tijd besteedden aan wapentraining. Ze waren immers professionele strijders die steeds bereid moesten zijn tot het voeren van oorlog. De milities en voetsoldaten daarentegen waren helemaal niet zo goed tot vechten voorbereid. Het is bekend dat er regelmatig driloefeningen werden gehouden door de stadsmilities, maar dat stelde nauwelijks iets voor in vergelijking met de doorgedreven training van de ridders. De grootste sterkte haalden de milities uit hun numerieke meerderheid en coherente samenwerking op het slagveld. Hun wapens waren echter veel eenvoudiger van aard dan wat de ridders tot hun beschikking hadden.

Tegen het einde van de 13de eeuw kwam het fenomeen van de huursoldaten op. Dit waren meestal voetsoldaten die door een heer ingehuurd konden worden om strijd te leveren. Ook zij waren beter voorbereid tot de strijd. Het gros van het Franse voetvolk in Kortrijk in 1302 bestond uit huursoldaten.

einde

Meer info over de krijgsgeschiedenis kan u o.a. terug vinden in :
J.F. VERBRUGGEN, De krijgskunst in West-Europa in de middeleeuwen IXe tot begin XIVe eeuw, Brussel, 1954.