Machtsstrijd

Wie de steden in handen had, heerste over Vlaanderen. Niemand kon Vlaanderen regeren tegen de wil van de steden. Zij dwongen van de graaf steeds meer voorrechten en vrijheden af. Met hun wallen en vestingen, hun kathedralen en hallen, belforten en raadhuizen zijn zij niet enkel het zinnebeeld van Vlaanderens grootsheid, maar bepaalden zij zelf die grootsheid en rijkdom, en in veel mindere mate de graaf of de leenheer. De Vlaamse steden zijn nooit stadsstaten geworden, maar ze stonden er niet ver vanaf.

Machtsverhoudingen binnen het graafschap

Vereenvoudigd voorgesteld kan men de volgende drie entiteiten opmerken, die elk op hun niveau en volgens hun eigen mogelijkheden betrokken waren in de politieke wereld van het graafschap Vlaanderen.

  • De grafelijke administratie met in haar kielzog de adelijke heren.
  • De steden, met hun besturen van het patriciaat.
  • Het gewone volk, ofwel het gemeen.

De Vlaamse graaf vertegenwoordigde de hoogste macht in het graafschap. Als soeverein in zijn eigen gebied kon hij eigen wetten en verordeningen uitvaardigen, voorrechten verlenen en bezat hij ook de hoogste juridische autoriteit. Hij was een grootgrondbezitter die belastingen kon heffen en munt kon slaan. Daarnaast was hij ook de hoogste militaire bevelvoerder in het graafschap. Hij werd bijgestaan door een administratie, die bestond uit een grafelijke raad en een netwerk ambtenaren die hem op het lokale terrein vertegenwoordigden.

Dispuut tussen heer en onderdaan

Dispuut tussen heer en onderdaan

De steden van hun kant probeerden zich dank zij hun sterke groei meer en meer los te weken uit het machtsbereik van de graaf. Dat deden ze door middel van privileges (notabene door de graaf zelf verleend), die er op neer kwamen dat de burgers van de stad meer rechten hebben dan de anderen. Elke stad beschikte daarenboven ook over een eigen militie, die in tijden van nood een niet te onderschatten militaire slagkracht kon ontplooien, waarmee kleine naburige steden en het platteland hun wil kon worden opgelegd. De graaf controleerde de steden door middel van een grafelijk ambtenaar, de baljuw.

Het gewone volk kon slechts een enkele macht doen gelden, die van de meerderheid. Zij hadden geen enkele beslissingsbevoegdheid of zelfs maar inspraak in voor hen belangrijke aangelegenheden. Hun rechten waren strikt beperkt. Zij probeerden zich wel te organiseren in ambachten, maar deze werden voortdurend gemuilkorfd door het patriciaat. Zij waren het echter wel, die het gros van de stedelijke milities uitmaakten. Naar het einde van de 13de eeuw zouden ze zich daar meer en meer van bewust worden.

Externe machtsfactoren

Uiteindelijk was het graafschap Vlaanderen geen onafhankelijk land, maar maakte het deel uit van grotere gehelen. Deze waren de volgende :

  • Op het wereldlijke vlak het koninkrijk Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk.
  • Op het geestelijke vlak de Kerk en de paus, vertegenwoordigd door de bisdommen.

De graaf van Vlaanderen kon weliswaar zeer autonoom regeren, maar hij moest steeds rekening blijven houden met het feit dat hij vazal was van zowel de koning van Frankrijk, als van de Duitse koning (of keizer, naargelang hij wel of niet door de paus gekroond werd). Van de Duitse kant had hij weinig of geen inmenging te verwachten. Van de Franse kant des te meer. De Franse koning wenste de macht van zijn vazallen zo veel mogelijk te beperken.

De macht van de kerk ten slotte, is zeker niet niet te onderschatten. Naast haar geestelijke autoriteit oefende ze ook heel wat wereldlijke macht uit, of werd door de diverse machtsbeoefenaars voor hun kar gespannen. Het interdict (gelovigen uitsluiten van bepaalde sacramanten) of excommunicatie (volledig uitsluiten buiten de geloofsgemeenschap) waren krachtige wapens. Het grootste probleem voor het graafschap Vlaanderen op dit vlak, was dat het graafschap geen eigen bisdom had. De belangrijkste waren Thérouanne (Terwaan) en Tournai (Doornik), beiden net buiten het graafschap gelegen.

einde

Meer info over de machtsverhoudingen in Vlaanderen circa 1302 kan u o.a. terug vinden in :
D. HEIRBAUT, Het Juridische Kader, in R. VAN CAENEGEM (red.), 1302, Feiten en Mythen van de Guldensporenslag, Antwerpen, 2002.