De feodale strijdmacht

In de hoge middeleeuwen had je geen geregelde staande legers. De troepen werden aangeworven voor een bepaalde campagne en mochten weer naar huis wanneer de strijd was geleverd. De legers van de 13de eeuw bestonden uit een combinatie van ruiterij en voetvolk.

De graaf trekt ten strijde

Een middeleeuws vorst (meestal een koning) verdeelde zijn land onder een aantal graven. Een graaf stond aan de top van de feodale piramide en was op zijn beurt leenheer van talrijke plaatselijke edellieden. De vazallen van de graaf waren tot 40 dagen militaire dienst per jaar verplicht. In hun gebied moesten ze elk een aantal van hun onderdanen met bijbehorende bewapening op de been kunnen brengen.

De graaf was niet alleen leenheer van zijn vazallen, hij was ook landsheer of territoriaal heerser van zijn gebied en kon rechtstreeks beroep doen op alle vrije mannen om in zijn leger te dienen. In tijd van nood moest elke heerlijkheid op vraag van de graaf een aantal soldeniers leveren. Dit waren gewone burgers, meestal zonder militaire opleiding. Ze werden bewapend door de plaatselijke heer en trokken vaak ten strijde met landbouwalaam en andere eenvoudige wapens. Haast nooit hadden ze een degelijke lichaamsbescherming.

Heerlijkheden langs de kust stonden in voor de vorming van de grafelijke vloot. Op bevel moesten ze elk een bepaald aantal koggen en schuiten uitrusten voor de strijd op zee. De leden van het schippersambacht en de vissers werden opgevorderd als bemanning.

Baanderheren, ridders en edelknapen

De vazallen van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre vormen een goed voorbeeld om te illustreren hoe een ridderleger gevormd werd. Wanneer in 1297 de spanning tussen Vlaanderen en Frankrijk hoog opliep, besloot de graaf nieuwe troepen te lichten en zijn leger samen te stellen. De vazallen en de Vlaamse bondgenoten werden verplicht zich bij de graaf te voegen en moesten elk een aantal edelen met "ijzeren wapenrustingen" meebrengen.

De graaf kon op die manier zo'n 1.200 edelen aantrekken. Deze vormden de zware cavalerie van zijn strijdmacht. De edelen ontvingen een soldij in verhouding tot hun stand. Op de hoogste trap stonden de baanderheren, dan had je de ridders en helemaal onderaan stonden de edelknapen. In Vlaanderen waren er in de 13de eeuw 43 baanderheren die elk ongeveer 20 andere edelen aanvoerden. Een baanderheer ontving 20 schellingen (of 1 pond) per dag. Een ridder kreeg zo'n 10 schellingen en een edelknaap moest het stellen met 5 Schellingen, als hij al over een ijzeren wapenuitrusting beschikte.

Een Vlaams leger trekt ten strijde

De graaf van Vlaanderen en zijn leger rijden ten aanval.

Van elke edele werd verlangd dat hij een aantal paarden met zich meebracht en beschikte over een volledige gepantserde wapenuitrusting. Bovendien moest hij alle bagage, voedsel, tenten en andere benodigdheden voor de campagne zelf aanschaffen. Hoe hoger de stand, hoe hoger de gevraagde inspanning. Een baanderheer moest zelf de 20 edelen van zijn eenheid aanbrengen. Een ridder bracht op zijn beurt zo'n 3 tot 5 edelknapen mee. De edelknapen sloten aan bij een edele uit een hogere stand.

Het ridderschap in crisis

De edelen gebruikten zeer dure, zware strijdrossen. Willem van Gulik bereed tijdens de periode van de Guldensporenslag een dier dat zo'n 180 Vlaamse ponden kostte. Een gewoon paard betaalde je in die dagen tussen 6 en 15 pond. Het werd steeds moeilijker voor de ridders om dure paarden aan te kopen en te onderhouden. Daarbij moest hij een volledige wapenuitrusting bekostigen, die een waar fortuin kostte. 1.000 ponden is geen uitzondering, zowat het equivalent van een jaarloon van een ridder. Veel edelen leefden bijzonder ruim en konden hun krijgsverrichtingen niet bekostigen. De legers bestonden daarom uit steeds grotere proporties edelknapen die verkozen de zware financiƫle lasten van het ridderschap niet te dragen.

einde

Meer info over het grafelijk leger kan u o.a. terug vinden in :
J.F. VERBRUGGEN, Het leger en de vloot van de graven van Vlaanderen vanaf het ontstaan tot in 1305, Brussel, 1960.