De niet-zo-duistere middeleeuwen

Duisternis, hongersnood, armoede, oorlog en ziekte zijn zowat de meest gangbare omschrijvingen voor de hoge Middeleeuwen. Ergens klopt dit ook wel, maar je begrijpt natuurlijk dat onze eeuw ook z'n hoogtes en laagtes had. Er was zeer zeker oorlog, honger en armoede, maar aan de andere kant brachten de hoge Middeleeuwen innovatie en vooruitgang. Deze pagina wil sommige redenen voor deze boom even onderstrepen en zal aantonen waarom de gemiddelde Vlaamse stad het in die periode goed deed.

Landbouw

Neem nu een voorbeeld aan de landbouw in de 13de eeuw. Enige technologische vooruitgang was weliswaar aanwezig, maar vooral een beter bedrijfsbeheer leidde al gauw tot hogere productie. Naar mate de bevolking in de steden aanzwelde, groeide ook de vraag naar landbouwproducten. De landelijke heren lieten steeds meer bos omhakken om nog meer gronden te kunnen cultiveren. Door verfijning van de gangbare landbouwtechnieken steeg de opbrengst sneller dan oppervlakte van het verbouwde land en nam de productiviteit toe. De meeste boeren waren beter gesteld dan in de jaren voordien. Het lijfeigenschap was in bijna gans Vlaanderen verdwenen en de toenemende vraag vanuit de stad zorgde voor een beter inkomen. De inspanningen van de boer maakten op hun beurt de groei van de Vlaamse steden mogelijk en je kan hier spreken van een echte wisselwerking.

Copyright KB Brussel Ms. 1175, fol. 156v
Verbeterde landbouwtechnieken leverden hogere opbrengsten op.

Industrie

De stedelijke bevolking schoot als een raket de hoogte in. De schattingen voor Brugge wat betreft het jaar 1300 lopen op tot 35.000 inwoners. Gent zag in deze periode zijn bevolking aangroeien tot een gemeenschap van zo'n 60.000 burgers. Van alle Noord-Europese steden was enkel Parijs groter, met een bevolking die nauwelijks boven de 65.000 uitsteeg. De vlucht naar de stad was enorm en veel mensen gingen aan de slag in de lakennijverheid. Het weven van wol en linnen was oorspronkelijk gegroeid als een ambacht dat door vele individuele huisgezinnen werd beoefend. In Gent verdiende een derde van de bevolking zijn brood met het maken van laken. Aan het eind van de 13e eeuw kwam de industrie in handen van een aantal kooplieden die het ganse productieproces gingen beheren. Ze verkochten niet alleen het Vlaamse laken in gans Europa, maar zorgden ook voor de inkoop en aanvoer van grondstoffen uit Vlaanderen en Engeland. Zo ontstond een kleine, zeer rijke groep van industriŽle entrepreneurs in "fabrieken" die uitgesmeerd waren over talrijke huizen in de ganse stad. Het putting-out systeem was geboren.

De uitvinding van het spinnewiel in de tweede helft van de 13de eeuw kon dit proces alleen maar versnellen. Naast het spinnewiel ontdekte men ook de haspel -een instrument om scheringdraden van gelijke lengte af te wikkelen- en het verticale weefgetouw met dubbele boom. Deze drie uitvindingen zorgden voor een drastische stijging van de productie.

Bankieren en boekhouden

Deze preÔndustriŽle revolutie had ook z'n impact op de manier waarop de kooplieden zaken deden. De schaalvergroting vereiste ook hier nieuwe technieken. Tijdelijke verenigde handelscompagnieŽn werden opgericht om de risico's van de buitenlandse handel te spreiden. Verschillende handelaars huurden bijvoorbeeld samen een aantal schepen, om zo de handelswaar te kunnen verspreiden over verschillende scheepsruimen. Koerierdiensten tussen de grootste commerciŽle centra van het noorden en de Italiaanse steden zorgden ervoor dat de brieven van de kooplieden veilig en snel gans Europa doorkruisten. Grootboeken met aparte pagina's voor debiteren en crediteren werden in de 14de eeuw een populair instrument om alle handelsverrichtingen administratief op te volgen.

De 14de eeuw bracht ook de geboorte van de wisselbrief, een papieren instrument om geld over te brengen en betalingen te verrichten. Verschillende Italiaanse bankiersverenigingen mengden zich in de financiering van oorlog en handel in het noorden. Firenze and Lucca werden gekende financiŽle centra. In Vlaanderen kon je bovendien in de meeste steden terecht met gelijk welke munt uit onze buurlanden. Een lading laken betalen in Ponden Parisis was absoluut geen probleem.

Architectuur

De skyline van de Vlaamse steden werd gedomineerd door kerken, lakenhallen, belforten en andere voorbeelden van gotische architectuur. De bouwwerken aan de stadshalle van Brugge startten in 1280 en de Ieperse Lakenhallen stonden recht in 1304. De bouwwoede zorgde voor werkgelegenheid, zowel binnen als buiten de stadswallen. Ganse generaties gingen aan de slag als metsers, steenkappers, schrijnwerkers en smeden terwijl honderden karren, lastwagens en boten zorgden voor een constante aanvoer van bouwmaterialen. Complexe technieken, ingenieuze werktuigen en artistieke "natte vinger" regels werden gebruikt in de bouw van huizenhoge kerken en kathedralen. Torens van meer dan honderd meter hoog waren zeker niet ongewoon.

Hallen en belfort van Brugge
Hallen en belfort van Brugge, bouwwerken gestart in 1280.
Alleen het bovenste witstenen gedeelte van de toren was er niet in 1302.

Transport

Naarmate de commerciŽle en industriŽle vooruitgang evolueerde, nam ook de druk op het verkeersnetwerk toe. De oude Romeinse wegen vormden de ruggengraat van ons transportsysteem en waren reeds eeuwen lang steeds opnieuw hersteld en heraangelegd. Nieuwe wegen werden ook aangelegd en aan het eind van de 13de eeuw kon Vlaanderen steunen op een relatief dicht wegennet. De meest gebruikte constructietechniek bestond uit een laag van keien en gebroken stenen op een bed van los zand. De Romeinen bouwden wel steviger wegen, maar de middeleeuwse verharde weg was goedkoop en makkelijk te onderhouden. Waterlopen werden steeds vaker overbrugd en in de meeste steden werden in de hoge Middeleeuwen talrijke houten en stenen bruggen gebouwd.

De toename van de handel zorgde voor een stijgend aantal wegvoertuigen. Karren en lastwagens werden in de dertiende eeuw verder ontwikkeld. De wagen met twee assen werd een vertrouwd onderdeel van het straatbeeld, maar had nog altijd een vaste voortrein. De houten wielen werden verstevigd met ijzeren platen die op het rijvlak genageld werden. Toch hadden de wielen nog geen stalen band; deze zou pas in de 16e eeuw opgang kennen. Lastwagens werden ook groter en sterker en vervoerden meer vracht. Kleine karren had je ook en die werden vaak door een begeleider getrokken met behulp van een borstharnas. Met paard en wagen kon tot 35 kilometer per dag afgelegd worden en deze transportvorm was zeer goedkoop.

Lastdieren verzorgden een aanzienlijk deel van het lokale vrachtverkeer en waren relatief snel. Vijfenvijftig tot zestig kilometer per dag vormden op goede wegen geen uitzondering. Koeriers deden nog beter en vervoerden brieven en kleine vrachten met nog hogere snelheid doorheen het land. Huishoudens van edellieden en geestelijken reisden in konvooi en deden zelden beter dan vijfenveertig kilometer per dag. Deze snelheden lijken nog steeds behoorlijk traag, maar als je bekijkt dat je Brugge kon verlaten in de vroege ochtend en bij zonsondergang het graafschap kon verlaten dan begrijp je allicht dat dit een bijzonder gunstige invloed had op de groei van de steden. De grote handelsroutes hadden op regelmatige afstanden herbergen en kleine nederzettingen waar dieren en begeleiders rust, voedsel en onderdak vonden. De grote Vlaamse wegen waren dan ook veilige en betrouwbare transportaders.

De keerzijde

In deze "moderne" steden doken al vlug problemen met afval en pollutie op. Te veel mensen wilden binnen de veilige stadswallen leven en die moesten natuurlijk van hun afval zien af te komen. Er werd enorm veel gedumpt in open greppels, grachten en riviertjes. Het verkeer wrong zich in steeds dichter wordende slierten doorheen de smalle straatjes en ongevallen werden in vele steden een ernstig probleem. De stadslucht was gevuld met rook van de talrijke open haarden en het brandgevaar was zeer reŽel. De bossen in de nabijheid van de stad verdwenen ten koste van de vooruitgang. Leven in de stad werd duur, vermits zowat alles van op het platteland moest ingevoerd worden.

De grote hongersnood van 1315-1317 toonde aan hoe wankel dit evenwicht was. Verschillende opeenvolgende natte zomers en bijbehorende slechte oogsten veroorzaakten een enorme voedselschaarste in onze contreien. De groei van de steden stabiliseerde en sloeg in sommige streken om in een beperkte vlucht naar het platteland. Een generatie later, van 1348 tot 1349, sloeg de zwarte dood een eerste keer toe in de lage landen en doken de bevolkingscijfers sterk naar beneden. Toch overleefden onze steden en dorpen de opeenvolgende tegenslagen en werd de vooruitgang niet gestuit. Wanneer Vlaanderen aan het eind van de veertiende eeuw onder het bewind van de BourgondiŽrs kwam, was het nog immer een van de meest bloeiende regio's in ons deel van Europa.

Naar boven.
Terug naar begin van de pagina.

Volgende pagina.
Naar de volgende pagina.





















Email
Email ons!
Look at this page in English language.


Copyright op tekst, beelden en foto's bij Joris de Sutter, tenzij anders vermeld.
De miniatuur komt uit "Le Viel Rentier des Seigneurs d'Audenarde", Copyright KB Brussel Ms. 1175, fol. 156 v.
De foto van de Brugse hallen en belfort komt uit "Gotiek", R. Toman
Deze informatie wordt ter beschikking gesteld door De Liebaart en werd laatst vernieuwd op 30 Maart 2001.