Het Feodale Leger

In de hoge middeleeuwen heb je geen geregelde legers. De troepen worden aangeworven voor een bepaalde campagne en mogen weer naar huis wanneer de strijd is geleverd. De legers van de 13de eeuw bestaan uit een combinatie van ruiterij en voetvolk.

De graaf trekt ten strijde

Een middeleeuws vorst (meestal een koning) verdeelt zijn land onder een aantal graven. Een graaf staat aan de top van de feodale piramide en is op zijn beurt leenheer van talrijke plaatselijke edellieden. De vazallen van de graaf zijn tot 40 dagen militaire dienst per jaar verplicht. In hun gebied moeten ze elk een aantal van hun leenmannen met bijbehorende troepen op de been brengen.

Copyright Koninklijke Bibliotheek Den Haag KA XX, fol.255 rį
De graaf van Vlaanderen afgebeeld bij de belegering van een stad

De graaf is niet alleen leenheer van zijn vazallen, hij is ook landsheer of territoriaal heerser van zijn gebied en kan rechtstreeks beroep doen op alle vrijen om in zijn leger te dienen. In tijd van nood moet elke heerlijkheid op vraag van de graaf een aantal soldeniers leveren. Dit zijn gewone burgers, zonder militaire opleiding. Ze worden bewapend door de plaatselijke heer en trekken vaak ten strijde met landbouwalaam en andere eenvoudige wapens. Haast nooit hebben ze een degelijke lichaamsbescherming.

Heerlijkheden langs de kust staan in voor de vorming van de grafelijke vloot. Op bevel moeten ze elk een bepaald aantal koggen en schuiten uitrusten voor de strijd op zee. De leden van het schippersambacht en de vissers worden opgevorderd als bemanning.

Baanderheren, ridders en edelknapen

De vazallen van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre vormen een goed voorbeeld om te illustreren hoe een ridderleger gevormd werd. Wanneer in 1297 de spanning tussen Vlaanderen en Frankrijk hoog oploopt, besluit de graaf nieuwe troepen te lichten en zijn leger samen te stellen. De vazallen en de Vlaamse bondgenoten worden verplicht zich bij de graaf te voegen en moeten elk een aantal edelen met "ijzeren wapenrustingen" meebrengen.

De graaf kan op die manier zo'n 1.200 edelen aantrekken. Deze vormen de zware cavalerie van zijn strijdmacht. De edelen ontvangen een soldij in verhouding tot hun stand. Op de hoogste trap staan de baanderheren, dan heb je de ridders en helemaal onderaan staan de edelknapen. In Vlaanderen zijn er in de 13de eeuw 43 baanderheren die elk ongeveer 20 andere edelen aanvoeren. Een baanderheer ontvangt 20 Schellingen per dag. Een ridder krijgt zo'n 10 Schellingen en een edelknaap moet het stellen met 5 Schellingen, als hij over een ijzeren wapenuitrusting beschikt.

Van elke edele wordt verlangd dat hij een aantal paarden met zich meebrengt en beschikt over een volledige gepantserde wapenuitrusting. Bovendien moet hij alle bagage, voedsel, tenten en andere benodigdheden voor de campagne zelf aanschaffen. Hoe hoger de stand, hoe hoger de gevraagde inspanning. Een baanderheer moet 20 edelen aanbrengen. Een ridder bracht zo'n 3 tot 5 edelknapen mee. De edelknapen sluiten aan bij een edele uit een hogere stand.

Het ridderschap in crisis

De edelen gebruiken zeer dure, zware strijdrossen. Willem van Gulik berijdt tijdens de periode van de Guldensporenslag een dier dat zo'n 180 Vlaamse Ponden kost. Een gewoon paard betaal je in die dagen tussen 6 en 15 Pond. Het wordt steeds moeilijker voor de ridders om dure paarden aan te kopen en te onderhouden. Daarbij moet hij een volledige wapenuitrusting bekostigen, die een waar fortuin kan kosten. 1.000 Ponden is geen uitzondering. Veel edelen leven bijzonder ruim en kunnen hun krijgsverrichtingen niet bekostigen. De legers bestaan uit steeds grotere proporties edelknapen die verkiezen de zware financiŽle lasten van het ridderschap niet te dragen.

Een aquamanille uit het Bargello museum in Firenze
Een aquamanille in de vorm van een ridder uit het Bargello museum in Firenze

Een efficiŽnt wapen

De ridders vormen een uiterst efficiŽnt wapen. Hun doorgedreven opleiding en de bijzondere mentaliteit die aan het ridderschap verbonden is, geeft hen meer dan goede kansen op het slagveld. Ridders worden van jongs af aan vertrouwd gemaakt met paarden en wapens. Bij de ridderslag hebben ze een jarenlange opleiding achter de rug. Bovendien zijn de edelen ervan overtuigd dat ze boven de gewone burger staan en dit zorgt ervoor dat ze zonder schroom op het "gemene" voetvolk van de vijand instormen. Ook is eer een zeer belangrijke deugd die stevig in het ridderlijke waardenpatroon ingebakken zit. Een ridder kan en mag geen lafaard zijn en zal vaak tegen beter weten in een agressieve tactiek hanteren. Tot slot zijn de Vlaamse, Franse en Brabantse ridders goed getrainde krijgslieden die rond 1300 al flink wat oorlogsjaren achter de rug hebben. Dit maakt hen tot geharde krijgers.

Tactiek op het slagveld

Gepantserde ruiters strijden in dichte formaties. De paarden raken elkaar bij het manoeuvreren over het slagveld en dit smalle front geeft de ruiterij een bijzonder grote stootkracht. De ridders zijn georganiseerd in eenheden van een twintigtal ruiters. Een baanderheer voert de groep aan. De typische formatie van zo'n eenheid is een vierkant van 6 tot 8 ruiters breed en 2 tot 3 rijen dik. Drie tot vier eenheden vormen een "schaar" of "bataelge". De bataelge is de standaard tactische formatie en opereert als een blok van ongeveer 60 tot 80 ridders sterk. Op deze aantallen staan echter geen vaste regels.

In de goede legers heerst een strikte tucht. De ridders en edelknapen moeten hun wapens en dieren perfect beheersen en houden er een strenge gevechtsdiscipline op na. De formatie mag immers niet gebroken worden. Een aaneengesloten bataelge vormt de beste garantie om het vijandelijke voetvolk met een machtige schok uit elkaar te drijven. De ruiterij is snel en beweeglijk, en zal er alles aan doen om de vijand in de flank te treffen. Het voetvolk is in de 13de eeuw vaak bewapend met lange pieken en stevige goedendags, wat een frontale charge steeds moeilijker maakt.

Naar boven.
Terug naar begin van de pagina.

Volgende pagina.
Naar de volgende pagina.

Vorige pagina.
Naar de vorige pagina.














Email
Email ons!
Look at this page in English language.


Copyright op tekst, beelden en foto's bij Joris de Sutter, tenzij anders vermeld.
De miniatuur komt uit "Spiegel Historiael", Jacob van Maerlant, Copyright Koninklijke Bibliotheek Den Haag KA XX, fol.255 rį.
De aquamanille staat in het Bargello museum in Firenze.
Deze informatie wordt ter beschikking gesteld door De Liebaart en werd laatst vernieuwd op 30 Maart 2001.